Wa wa watervogels


In het vroege voorjaar. De eerste mooie lentedag lokt me naar het water. Al maanden van door het winterweer gedwongen onthouding bekijk ik met verlangen elke waterloop. Het is nu of waarschijnlijk voorlopig niet meer. Het water is nog heel koud. Omslaan is geen aantrekkelijke optie. De meest stabiele kajak uit het rek getrokken. Op het kanokarretje naar de dichtstbijzijnde vliet. Nog modderige waterkant en opstapplaats van het net gezakte hoogwater proberen mij te weerhouden van in te stappen. Een glibberige glijpartij zou de komende lol lelijk kunnen bederven. Omzichtig laat ik mij toch in de boot zakken. Mijn gympen laten een drekkig spoor achter op de bodem. Geeft niet. Ik zit, ik drijf, ik vaar. Ik maak mijn spatzeil vast en duw me van de kant. De eerste paar honderd meter gaan moeizaam. De ontspannen slag moet nog komen. Die peddelslag die je de hele dag vol kunt houden tot de pijn in je spieren het verdergaan onmogelijk maakt. Watervogels zwemmen plagend traag voor mij uit. Een enkele waggelt op de kant en gaat demonstratief met de kont naar mij toe staan. Voor alle zekerheid wel even achterom kijkend naar mijn reactie. Een enkele vliegt op om even verderop weer neer te strijken. De boosheid en teleurstelling en frustratie van de afgelopen dagen ebben langzaam uit me weg. De spanning in mijn schouders rug en nek zakt. De peddelslag reikt naar de einder en vecht niet meer voor elke meter. Verslappen wordt echter afgestraft. De stroming dringt me zonder enig pardon terug. Langzaam komt de slag die me ook tegen de sterke stroming in rustig verder brengt zonder bij elke slag te bedenken dat ik over een bepaalde tijd ergens zijn moet. Hoeft ook niet. Helpt ook niets. Overal achtervolgt me de zurige lucht van gier. Als mijn spieren na een paar uur ook zijn verzuurd en ik de spierpijn van morgen door elke vezel van mijn lijf nu al kan voelen draai ik om. Bevrijding drapeert zich in erbarmen over mijn lijf. De stroming en de kalme peddelslag brengen me terug. Dikke glibberige modder weigert me echter toe te laten op de kant. De stroom houdt me nog even plagend vast. Toch nog noodgedwongen weer even de andere kant op tegen de stroom in. Een stukje terug heb ik een plek gezien waar ik zonder al te erg onder de modder te komen uit kan stappen. Twee jonge knapen roken aan de waterkant hun reefer. Ze becommentariŽren bij voorbaat mijn aanstaande landingspoging. Precies de reden waarom ik in eerste instantie deze plek voorbij ben gevaren. Met bijna overdreven beheersing stap ik uit. Ik gun de jongens niet hun lachkick. Ik ben op deze plaats al eens tot aan mijn middel in de modder verdwenen. Uitgelachen worden door deze kids kan ik inmiddels nog wel hebben. Mijn boosheid is gezakt maar nog niet weg. Het is Kafka all over again. In de macht van de machtelozen. Machtelozen in de macht van regels waarvoor niemand verantwoording wil nemen. Ook de machtige speelt machteloos te zijn. Ik til de kajak uit het water. De jongens vragen of ik hulp nodig heb, nu er toch niets meer te lachen valt. Nee dank je, het lukt wel. Vermoeid en maar een beetje modderig trek ik de kajak verder omhoog en ik zet het karretje in elkaar. Naar huis en douchen.

Alle tekst, beeld en geluidsmateriaal zijn ©Peter Wesseling. Niets daarvan mag worden gereproduceerd zonder toestemming van de auteur